
Jurisprudentie
AV7875
Datum uitspraak2006-03-17
Datum gepubliceerd2006-04-03
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 05/2742
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-04-03
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 05/2742
Statusgepubliceerd
Indicatie
Rechtbank laat schorsing medewerker gemeente in stand. De rechtbank oordeelt dat het college van B&W eiser mocht vragen om de factuur voor de werkzaamheden die door het bouwbedrijf bij eiser thuis zijn verricht. De rechtbank overweegt dat het college van B&W eiser naar aanleiding van zijn weigering deze factuur te overleggen, heeft kunnen schorsen. Met de uitspraak staat nog niet vast of daadwerkelijk sprake is geweest van belangenverstrengeling. Het onderzoek daarnaar, dat door de rijksrecherche is overgenomen en zich aan de waarneming van het college van B&W onttrekt, is nog niet afgerond.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
sector bestuursrecht
Reg. nr.: SBR 05/2742
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank Utrecht, in het geding tussen:
[eiser], wonende te [gemeente],
e i s e r,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente],
v e r w e e r d e r.
1. INLEIDING
1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 16 augustus 2005, waarbij is beslist op eisers bezwaar tegen het besluit van 26 mei 2005 in die zin dat laatstgenoemd besluit is gehandhaafd.
Bij besluit van 26 mei 2005 is eiser met onmiddellijke ingang op 26 mei 2005 geschorst in het belang van de dienst voor de duur van het onderzoek naar het vermoedelijk niet nakomen van door verweerder vastgestelde procedures over contracten met externe partijen totdat op basis van definitieve bevindingen rechtspositionele besluiten worden genomen. Tevens is eiser gedurende het onderzoek de toegang ontzegd van gebouwen die in gebruik zijn bij de gemeente. Hem is de aanwijzing gegeven geen contact op te nemen met bedrijven en andere derden waarmee hij uit hoofde van zijn functie zakelijke contacten onderhoudt noch met medewerkers van de gemeente en de pers, anders dan met expliciete toestemming van verweerder.
1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 17 februari 2006, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.F. Weenink, advocaat te De Meern. Namens verweerder zijn verschenen [vertegenwoordiger] en [vertegenwoordiger], gemeentesecretaris respectievelijk burgemeester van de gemeente [gemeente], bijgestaan door mr. P. Vriezen, juridisch adviseur bij Vijverberg Juristen B.V. te Voorburg.
2. OVERWEGINGEN
2.1 Voor de van toepassing zijnde bepalingen uit de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente [gemeente] en de feiten wordt kortheidshalve verwezen naar de bijgevoegde uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2005 onder 2.4, 2.6 en 2.7 (SBR 05/1448 VV).
2.2 De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geschil niet de vraag aan de orde is of de schorsing moet worden opgeheven, maar de vraag of de schorsing op goede gronden is gehandhaafd in de beslissing op bezwaar.
2.3 De rechtbank stelt vast dat de duur van de schorsing van eiser is gekoppeld aan het onderzoek naar vermoedelijke fraude en corruptie binnen de gemeentelijke organisatie. Dit onderzoek is in opdracht van verweerder ingesteld door Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. en vervolgens na het doen van aangifte door verweerder bij de politie overgenomen door de rijksrecherche. De schorsing strekt zich dan ook, anders dan eiser meent, mede uit tot de voortzetting van dit onderzoek door de rijksrecherche.
2.4 Eiser heeft in beroep gesteld dat hij ten onrechte niet is gehoord ingevolge artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Daartoe heeft hij dezelfde gronden aangevoerd als in bezwaar. De rechtbank kan zich geheel vinden in hetgeen hierover is overwogen door de voorzieningenrechter in voornoemde uitspraak onder 2.8 en maakt deze overwegingen tot de zijne. Aanvullend wordt overwogen dat op 25 mei 2005 tijdens twee gesprekken duidelijk is gemaakt wat van hem werd verlangd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat eiser zich ervan bewust was dat rechtspositionele maatregelen als bijvoorbeeld schorsing zouden worden genomen als hij niet zou doen wat van hem werd verlangd. Dit kan worden afgeleid uit onder meer het door verweerder opgestelde verslag van het gesprek tussen eiser en de gemeentesecretaris op 25 mei 2005 en eisers schriftelijke reactie daarop. De rechtbank acht ook van belang dat eiser, juist omdat de burgemeester en een medewerkster van de afdeling P&O bij het gesprek aanwezig zouden zijn, zich wilde laten bijstaan door zijn raadsman. Onder deze omstandigheden kan het achterwege laten van een apart op het te nemen schorsingsbesluit toegespitst gesprek, er niet toe leiden dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
2.5 Het betoog van eiser, dat geen sprake is van een dienstbelang waarbij uit functioneel oogpunt schorsing noodzakelijk is, kan de rechtbank niet volgen. Overwogen wordt dat gelet op de feiten en omstandigheden, zoals die zijn weergegeven in voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter onder 2.7, 2.9 en 2.10, verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de dienst in het geding was. De rechtbank kan zich geheel in deze overwegingen vinden. Vaststaat dat het onderzoek gevoelig lag binnen de afdeling waarvan eiser hoofd is. Door eisers houding in het kader van het onderzoek heeft eiser de verdenking mede op zichzelf geladen hetgeen heeft geleid tot een vertrouwensbreuk tussen eiser enerzijds en verweerder alsmede de gemeentesecretaris anderzijds. Onder deze omstandigheden is het dienstbelang niet gediend indien eiser gedurende het onderzoek zijn functie van afdelingshoofd zou blijven uitoefenen. De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat verweerder het in geding zijnde dienstbelang onvoldoende heeft onderbouwd. Zowel in het primaire besluit als in de beslissing op bezwaar is voldoende uiteengezet welke feiten en omstandigheden ertoe hebben geleid dat eiser is geschorst in het belang van de dienst.
2.6 Eiser heeft gesteld dat hij wel degelijk heeft meegewerkt aan het onderzoek, hij heeft alleen geweigerd een deel van zijn privé-administratie over te leggen, omdat verweerder heeft geweigerd het onderzoeksbelang daarvan aan te geven. Had verweerder het een en ander uitgelegd, dan was eiser bereid geweest de desbetreffende factuur te overleggen. De rechtbank overweegt dat tijdens het onderzoek naar vermoedelijk frauduleus handelen door een ondergeschikte van eiser naar voren is gekomen dat het bedrijf [naam bedrijf] privé werkzaamheden heeft verricht voor eiser ten behoeve van zijn woning. De onderzoeker van Hoffmann Bedrijfsrecherche had bovendien aanwijzingen dat voor deze werkzaamheden geen factuur te vinden was in de boekhouding van [naam bedrijf]. De rechtbank acht niet van belang of deze aanwijzing was gebaseerd op een eigen onderzoek in de boekhouding van [naam bedrijf] dan wel op verklaringen van medewerkers van [naam bedrijf]. Gelet op de aard en de strekking van dit onderzoek zijn deze werkzaamheden door [naam bedrijf] voor eiser terecht betrokken in het onderzoek. In het kader van het onderzoek mocht er naar het oordeel van de rechtbank immers ook rekening mee worden gehouden dat bevoordeling zou kunnen hebben plaatsgevonden in de privésfeer. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid van eiser kunnen verlangen dat hij de factuur van het bedrijf [naam bedrijf] inzake de schutting overlegde. Eiser had zich, mede gezien zijn leidinggevende positie in de gemeentelijke organisatie, ervan bewust moeten zijn dat de (gemeentelijke) overheid ieder signaal van mogelijke fraude respectievelijk corruptie zal moeten onderzoeken. Daaruit vloeit ook voort dat hij zich bewust had moeten zijn van het onderzoeksbelang dat is betrokken bij de van hem gevraagde factuur. Eiser had moeten respecteren dat verweerder in het belang van het onderzoek hierover geen concrete informatie kon verschaffen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder vanwege het feit dat eiser heeft geweigerd deze factuur te overleggen, terecht geconcludeerd dat eiser niet heeft meegewerkt aan het onderzoek.
2.7 Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting kan uit de gesprekken die eiser op 25 mei 2005 met de gemeentesecretaris heeft gehad, worden afgeleid dat het op 26 mei 2005 om 9.00 uur geplande gesprek het karakter had van een ultimatum. In die contacten is eiser gewezen op de mogelijke consequenties voor hem indien hij zou blijven volharden in zijn weigering de desbetreffende factuur te overleggen. Het was eiser duidelijk dat verweerder overwoog aangifte te doen. Gelet op het karakter van het op 26 mei 2005 geplande gesprek kan niet worden gezegd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door eisers verzoek om verplaatsing van dit gesprek naar een later tijdstip die dag af te wijzen. Eiser kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat reeds voor het verstrijken van dit ultimatum het onderzoek was overgenomen door de rijksrecherche waardoor hij niet had kunnen voldoen aan het ultimatum. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eerst in de loop van de middag van 26 mei 2005 bekend is geworden dat de rijksrecherche het onderzoek had overgenomen, zodat eiser het ultimatum nog had kunnen aanwenden voor het alsnog overleggen van de gevraagde factuur. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verweerder reeds op 25 mei 2005 te kennen was gegeven dat er geen onderzoeks-handelingen meer mochten worden verricht.
2.8 Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd en ook overigens ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor de conclusie dat sprake is van aan eiser gelijke gevallen waarin verweerder anders heeft gehandeld dan ten aanzien van eiser.
2.9 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de door eiser aangevoerde bezwaren niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
3. BESLISSING
De rechtbank Utrecht,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2006.
De griffier: Het lid van de enkelvoudige kamer:
mr. A.J. Jansen mr. R.P. den Otter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

